Heleen Wagemans
auteur, singer/songwriter OCHTENDPOEET




Klatergoud 

De dorpelingen zitten in de banken 

bij hun apostelen van glas in lood 

De blaasbalg perst psalmenklanken 

Zonnevlekjes, blauw en rood

De kruisgewelven zijn hoog en in duister gehuld

Het corpus is buitenissig met bladgoud verguld 


Het is de Piemontesi’s mooiste kerk 

met een kloostergang inpandig 

De restauratie was erg veel werk 

maar de monniken zijn zo handig

Zelfs de lekkage in het dak 

verhielpen ze met gemak 

en na een periode van veel regen 

was dat een ware zegen 


De priester van de zondagspreek murmelt in ‘t Latijn 

Dan komt het befaamde knapenkoor 

het kleinste lid moet amper zeven zijn 

schoorvoetend komt de uk naar voor

maar met zijn gouden keeltje welgeluid

horen ze hem zelfs nog boven het pijporgel uit


De nonnen van de Duomo, zusterlijk op een rij 

stoten elkaar trots aan 

en plengen er zelf een traantje bij 

Ze fluisteren “bravo en goed gedaan” 

Direct na de laatste strofe 

klatert iets nats op het marmeren steen 

De nonnen kijken verschrikt naar boven 

maar dan barst hun favoriete zangertje uit in hard geween 

Zijn witte jurkje is doorweekt en plakt aan zijn ledematen 

De dorpelingen wijzen en beginnen hardop te praten 

Zijn moeder roept “o Dio! Giovanni nee niet weer!” 

De priester versnelt het slotgebed en dankt de goede Heer. 



De passer van Catullus 

Over de passer van Catullus,

het beroemde Latijnse liefdesgedicht 

waarin de illustere dichter zijn geliefde betreurt om een dooie mus,

bestaat een heel nieuw inzicht. 

De moderne classici, vooral zij wat minder strak in de leer, 

vertalen passer namelijk met “jongeheer”

Zij kunnen wetenschappelijk onderschrijven dat “vogelen” in de Romeinse tijd stond voor “de liefde bedrijven” 

Een en ander werpt nu een heel nieuw  licht op dit eeuwenoude gedicht.

Het ach en wee over haar musjes laatste gefriemel, zou dus feitelijk gaan over Catullus’ eigen piemel. 

Deze zou zijn “gestorven” in haar handen en zou daarna jammerlijk nooit meer in haar schoot landen.

De docenten Klassieke talen  

wilden het gedicht uit de lesboeken halen. 

Anders werd het een lastige discussie: “vertalen we passer voortaan met piemel of houden we het op het mussie?” 

Ze besloten Catullus te laten voor wat het was en nu leest men Ovidius in de klas. 



In een keer dood 


Hij slaapt poedelnaakt, voor bloeddorstigen toch de je-van-het. 

Ik echter, lig gebalsemd en gemummificeerd op bed. 

Al zijn vlees, zoveel keus 

waarom nemen ze dan toch mij? Het puntje van mijn neus! 

Het ergste is het gezift, 

neurotisch gejengel bij mijn oren. 

Ik bezweer ze met muggenstift 

maar blijf ze steeds maar horen. 

Citroenen, knoflook, Autan met 100% deet...

Het moedigt ze alleen maar an, het doet ze geen reet. 

En als hij ‘ s morgens fris en fruitig ontwaakt, 

ben ik stekelig en geradbraakt. 

“Schat” zegt hij troostend met een zoen, 

“als ik een mug was zou ik hetzelfde doen” 

Het is bedoeld als oppepper 

maar ik sla hem in een keer dood met mijn vliegenmepper.